14
10/10
De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.
Gepubliceerd door FAN- RJF, klik hier voor printbare versie
Over fiscale rechtvaardigheid onder het kapitalisme

Jozef Mampuys in {Kenteringen]Digit april 2010

Fiscaliteit of belastingen zijn eigenlijk nooit ver weg in het publieke discours. Maar de laatste jaren zijn ze wel bijzonder vaak en opvallend aanwezig in het nieuws. Zowel op internationaal als op nationaal vlak. Denken we maar aan de kritiek op de belastingparadijzen en de roep naar een financiële transactietaks (FTT), een uitgebreide versie van de beter bekende Tobintaks op wisselkoersspeculatie. Zelfs toplanden als Frankrijk en Duitsland werpen zich op als pleitbezorgers van deze FTT op de G20, het nieuwste forum van de belangrijkste landen in de wereld. In eigen land kent de roep om een of andere vorm van nieuwe lasten op kapitaal een toenemend succes. Zo is er het voorstel van een vermogensinkomstenbelasting door de sp.a en de steeds opnieuw herhaalde eis van een vermogensbelasting door de christelijke arbeidersbeweging, geconcretiseerd in de ‘miljonairstaks’ van de PVDA.

betoging2

Over fiscale rechtvaardigheid onder het kapitalisme

Jozef Mampuys   in  {Kenteringen]Digit april 2010

Fiscaliteit of belastingen zijn eigenlijk nooit ver weg in het publieke discours. Maar de laatste jaren zijn ze wel bijzonder vaak en opvallend aanwezig in het nieuws. Zowel op internationaal als op nationaal vlak. Denken we maar aan de kritiek op de belastingparadijzen en de roep naar een financiële transactietaks (FTT), een uitgebreide versie van de beter bekende Tobintaks op wisselkoersspeculatie. Zelfs toplanden als Frankrijk en Duitsland werpen zich op als pleitbezorgers van deze FTT op de G20, het nieuwste forum van de belangrijkste landen in de wereld. In eigen land kent de roep om een of andere vorm van nieuwe lasten op kapitaal een toenemend succes. Zo is er het voorstel van een vermogensinkomstenbelasting door de sp.a en de steeds opnieuw herhaalde eis van een vermogensbelasting door de christelijke arbeidersbeweging, geconcretiseerd in de ‘miljonairstaks’ van de PVDA.

De oorzaak van deze hernieuwde aandacht voor de fiscaliteit is niet ver te zoeken: de zwaarste economische crisis sinds de jaren dertig. Op internationaal vlak heeft de voorbije periode  overduidelijk aangetoond dat  de totale deregulering van de financiële sector sinds de jaren tachtig, het kapitalisme zelf in gevaar bracht. Vandaar dat zelfs vroegere (en huidige) voorstanders van een neoliberaal systeem, denk maar in eigen land aan professor Paul De Grauwe of op internationaal vlak Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, vragende partij zijn geworden voor allerhande controle- en reguleringsmechanismen die, samen met banktaksen en een FTT, de wispelturigheid van de vrije financiële markten aan banden moeten leggen. Met fiscale herverdeling of  rechtvaardigheid op wereldvlak heeft dat weinig te maken. Wat natuurlijk ook niet wil zeggen dat een dergelijke (her)regulering voor de arme landen geen verbetering van hun situatie zou kunnen betekenen. Nu een of andere vorm van een zelfs maar minimale FTT in het verschiet ligt, wordt de belangrijkste vraag waarvoor de opbrengst van een dergelijke FTT zal gebruikt worden. Zal de opbrengst dienen om banken te redden die met het geld van de gewone spaarders onverantwoorde risico’s hebben genomen? Zal de opbrengst dienen om de putten te vullen van de overheden die zijn ontstaan bij de redding van de banken? Of zal de opbrengst gebruikt worden om de Millenniumdoelstellingen te doen slagen of indien mogelijk sneller te bereiken?

De voorbije periode heeft ook overduidelijk aangetoond dat de rol van de nationale overheden nog lang niet is uitgespeeld. Eerder het tegendeel zelfs. Helemaal tegen de sinds vele jaren dominerende trend van privatisering in, is nu gebleken hoe belangrijk, ja zelfs onmisbaar, de nationale overheden zijn. Want het zijn toch maar die verfoeide nationale overheden die het financieel systeem en daarmee het hart van het kapitalisme, van de ondergang hebben gered. De prijs daarvoor wordt nu en in vele toekomstige jaren, op de eerste plaats betaald door de gewone man en vrouw, door de gewone belastingbetaler. Want de meeste landen worstelen zeker nog voor enkele jaren met enorme begrotingstekorten die op hun beurt weer de staatschulden doen toenemen. Die begrotingstekorten en groeiende staatsschulden zijn het gevolg van een tekort aan inkomsten om alle noodzakelijke uitgaven te dekken. Wat inkomsten voor de overheid zijn, dat zijn belastingen voor de burgers en bedrijven.

Spreken over belastingen

Spreken over belastingen gebeurt meestal zeer gevoelsgeladen: het is bon ton om tegen te zijn     en slechts weinigen zijn uitgesproken voor. Maar achter die gevoelsgeladen uitspraken liggen meestal een reeks onuitgesproken uitgangspunten.

1. Een visie op de rol van de overheid in de samenleving. Wie in de samenleving de klemtoon wil leggen op de individuele verantwoordelijkheid, ziet voor de overheid eerder een beperkte rol weggelegd. In dat geval heeft de overheid weinig werkingsmiddelen nodig en kan dus ook het inkomen van de overheid beperkt zijn. En dus hoeven er niet veel belastingen geheven te worden. Wie echter de klemtoon legt op de collectieve verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap heeft meer baat bij een overheid die stuurt en controleert. Zo’n overheid heeft meer werkingsmiddelen nodig, dus meer inkomen en er zal dus meer belasting worden geheven.
2. In een rechtvaardige samenleving ligt de klemtoon op de collectieve verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap en zij heeft daarom behoefte aan een sterke overheid. Een sterke overheid heeft veel werkingsmiddelen nodig en daarom zijn belastingen onvermijdelijk omdat zij de inkomsten vormen van de overheid. Cruciaal is wel dat deze belastingen rechtvaardig worden geheven. Rechtvaardig wil zeggen dat hoe rijker je bent hoe meer belastingen je betaalt of ‘dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen’. En uiteraard ook rekening houdend met de verschillende behoeften van eenieder.
3. De belastingen die we betalen zijn geen door de overheid ‘gestolen’ of  aan de overheid ‘weggegeven’ geld. Zij vloeien via het ter beschikking stellen van publieke goederen en diensten op een of andere manier terug naar de individuele belastingbetaler en de gemeenschap.

Waarvoor dienen belastingen?

Belastingen vormen het inkomen en dus de werkingsmiddelen van de overheid. Door het innen van belastingen kan de overheid drie belangrijke functies vervullen.

1. Binnen de groep van belastingbetalers een herverdeling van hoge naar lage inkomens.
2. Voor de hele gemeenschap publieke goederen en diensten ter beschikking stellen. Denken we maar aan onderwijs, infrastructuur (wegen, scholen, klinieken, enz.), justitie, ordehandhaving, overheidsadministratie enz.
3. Sturing van de sociaaleconomische ontwikkeling door beïnvloeding van het economisch gedrag van consumenten, burgers en bedrijven. Dat laatste kan door fiscale voordelen toe te kennen aan burgers en bedrijven om bv. milieuvriendelijke investeringen te stimuleren. Fiscale voordelen toekennen betekent dat de overheid een deel van haar inkomen ‘teruggeeft’ aan de burgers en de bedrijven, wat er feitelijk op neerkomt dat deze dan minder belasting betalen.

 

Om belastingen te beoordelen geldt niet het criterium van de hoeveelheid in de zin van:  hoe minder belastingen ik betaal, hoe beter. De beoordelingscriteria bij uitstek zijn de antwoorden op de volgende vragen.


1. Hoe (goed) gebruikt de overheid het belastinggeld bij het vervullen van haar functies?
2. Hoe rechtvaardig worden de belastingen geïnd?

Het antwoord op de eerste vraag verondersteld een kritische evaluatie van het sociaal en economisch beleid door de overheid. Daar gaan we hier niet verder op in.
Om een antwoord te kunnen geven op de tweede vraag bekijken we eerst van dichterbij welke soorten belastingen er bestaan en hoe die geïnd worden.

Soorten belastingen

Grosso modo bestaan er twee soorten belastingen: de directe en indirecte belastingen.
De directe belastingen zijn belastingen op inkomens. De twee belangrijkste directe belastingen zijn de personenbelasting en de vennootschapsbelasting. De personenbelasting bestaat voor het grootste deel uit belastingen op lonen en wedden van werknemers en ambtenaren, op sommige sociale uitkeringen en op de inkomens van zelfstandigen en vrije beroepen. De vennootschapsbelasting is een belasting op de winsten van de bedrijven. De indirecte belastingen zijn belastingen op het ver/gebruik van goederen en diensten. De belangrijkste indirecte belastingen zijn de BTW en de accijnzen.
In 2008 waren de personenbelasting en de indirecte belastingen ieder goed voor bijna 40% van de belastingsinkomsten. De vennootschapsbelasting voor zowat 13% van alle belastingsinkomsten.

Het ‘progressief’ karakter van de personenbelastingen

De personenbelasting op het inkomen uit arbeid (werknemers, ambtenaren, zelfstanden, vrije beroepen) wordt berekend door toepassing van een progressief barema op het belastbaar inkomen (BI). Dat BI wordt bekomen na aftrek van o.a. de gewone en bijzondere bijdrage aan de sociale zekerheid alsook van een aftrek voor beroepskosten (forfaitair of aftrek van de ‘werkelijke’ beroepskosten). Het resultaat van het progressief barema kan dan nog verder verminderd worden met een aantal specifieke verminderingen zoals voor het van belasting vrijgesteld inkomen en gezinslasten of voor bouwsparen, pensioensparen, verzekeringspremies enz.  Nadien komt daar nog eens de gemeentebelasting bij.

Bij de toepassing van het progressief barema wordt het BI (op jaarbasis) opgedeeld in schijven waarop een opklimmend belastingtarief wordt toegepast. Sinds enkele jaren gaat het over vijf tarieven. De grensbedragen van de schijven waarop deze tarieven worden toegepast worden sinds 1999, na onderbreking van een zestal jaren, opnieuw geïndexeerd, dwz verhoogd in functie van de gestegen levensduurte.
Een voorbeeld voor het aanslagjaar 2009 om dit te verduidelijken. Een alleenstaande werknemer heeft een BI (op jaarbasis) van 37.330 euro. Op de eerste schijf van zijn BI tot 7.900 betaalt hij 25% maar de eerste 6.340 euro van deze schijf is vrijgesteld van belastingen. Het resultaat ziet er dan verder als volgt uit:


25% op schijf 1 van 0 (vrijgesteld 6.430) tot 7.900 euro  367,5 euro
30% op schijf 2 van 7.900 tot 11.240 euro    1.002 euro
40% op schijf 3 van 11.240 tot 18.730 euro    2.996 euro
45% op schijf 4 van 18.730 tot 34.330 euro    7.020 euro
50% op schijf 5 alles boven 34.330 euro (hier: tot 37.330)  1.500 euro

De totale belasting is de optelsom van deze vijf bedragen of 12.885,5 euro of  34,5% van het BI. Dit percentage noemt men de gemiddelde aanslagvoet. Het progressieve karakter van de personenbelasting kan men aflezen aan de stijging van de gemiddelde aanslagvoet naarmate het BI stijgt. Dus naarmate het BI stijgt zal een steeds groter deel daarvan aan belastingen worden betaalt. Zo zal iemand met een BI van 20.000 euro een gemiddelde aanslagvoet hebben van rond de 25% en dus ongeveer 5.000 euro aan belastingen betalen. Voor iemand met een BI van 40.000 euro loopt dit op tot 36% en 14.200 euro. Maar nooit zal iemand meer dan 50% aan belastingen betalen vermits de marginale aanslagvoet, dwz het belastingstarief van de hoogste inkomensschijf (alles boven 34.330 euro) 50% is. Zo bedraagt  de gemiddelde aanslagvoet voor een BI van 1 miljoen euro ongeveer 49%.

Sinds enkele jaren is er ook steeds meer sprake van een zogenaamde ‘vlaktaks’, wat zoveel wil zeggen als één en hetzelfde tarief voor iedereen. In ons land wordt dit stelsel vooral gepromoot door Lijst Dedecker (LDD). Het oorspronkelijk voorstel van LDD was een vlaktaks van 25% en een verhoging van het vrijgesteld bedrag tot 12.500 euro. Critici berekenden dat dit voor de overheid zowat 35 miljard euro minder inkomsten zou opleveren,  dat de 10% laagste inkomens hun inkomen met 1,6% zouden zien dalen en dat de 10% hoogste inkomens zouden toenemen met 24% of gemiddeld 1.184 euro per maand. Ook bij alle andere varianten van de vlaktaks daalt het inkomen van de overheid en is de winst voor de hoge inkomens steeds een veelvoud van de magere ‘winst’ van de midden- en lagere inkomens. Gelijk welk voorstel van vlaktaks vergroot alleen maar de ongelijkheden in de samenleving.

Hoe rechtvaardig zijn onze ‘progressieve’ personenbelastingen?

Ons progressief belastingsstelsel voor wat de personenbelasting betreft is dus zeker rechtvaardig te noemen omdat ‘de sterkste schouders’ (lees: de hoogste belastbare inkomens) in verhouding steeds ‘zwaardere lasten’ (lees: een steeds hoger aandeel van hun BI aan belastingen betalen) dragen. Cruciaal is natuurlijk wel dat het BI op een eerlijke en correcte wijze berekend wordt. En hier loopt behoorlijk wat verkeerd.

Een eerste vaststelling is dat het progressief karakter in de voorbije jaren serieus werd afgezwakt. Zo werd in 1983 de globalisering van de inkomsten afgeschaft. Tot dan werden inkomsten uit kapitaal (spaargeld, aandelen en alle andere beleggingsvormen) samengeteld met het inkomen uit arbeid en dus ook aan het progressief tarief belast. Sindsdien geldt voor die inkomsten ten hoogste een aanslagvoet van 25%. Vervolgens werd het aantal tarieven en het hoogste tarief serieus verminderd. In 1988 bedroeg het hoogste tarief nog bijna 70%. De ‘belastinghervorming’ van 1988 verminderde het aantal tarieven tot 7 en het hoogste tarief tot 55%. De recente ‘belastinghervorming’ tussen 2001 en 2005 schafte op haar beurt de twee hoogste tarieven van 55 en 52,5% af. Sindsdien zijn er nog slechts vijf tarieven waarvan het hoogste, de marginale aanslagvoet, 50% bedraagt. Onnodig te zeggen voor welke inkomenscategorieën deze ingrepen de grootste ‘winst’ opleverden.

Het progressief karakter van de personenbelasting wordt echter vooral uitgehold door de toepassing van de werkelijke aftrek van de beroepskosten. Hierdoor wordt het BI soms meer dan fors naar beneden getrokken en parallel daarmee de belastingsinkomsten. De werkelijke beroepskostenaftrek wordt in verhouding veel meer toegepast door de hogere inkomenscategorieën. Zo betekent voor de 10% hoogste inkomens in ons land de toepassing van de werkelijke aftrek van de beroepsinkomsten in plaats van de forfaitaire (door de fiscus automatisch toegepaste) beroepskostenaftrek een forse daling van hun gemiddelde aanslagvoet van 37 naar 28 procent. Wanneer je een vergelijking maakt tussen socio-economische groepen is het contrast nog veel duidelijker. Zowel voor loon- en weddetrekkenden als voor sociale uitkeringstrekkers is er gemiddeld genomen nauwelijks een verschil in gemiddelde aanslagvoet bij toepassing van de forfaitaire of de werkelijke beroepskostenaftrek. Bij de zelfstandige inkomens (inclusief  vrije beroepen) daalt de gemiddelde aanslagvoet bij toepassing van de werkelijke beroepskostenaftrek van 30 tot iets meer dan 12%! Hier is het ‘progressief’ karakter totaal verdwenen. Als groep hebben loon- en weddetrekkenden een beduidend hogere gemiddelde belastingsvoet dan zelfstandigen en vrije beroepen.
Daarnaast is er een toenemende trend tot oprichting van (eenpersoons)BVBA’s door zelfstandigen en vrije beroepen. De marginale aanslagvoet ( tussen 25 en 34%) is daar heel wat lager en zo ontlopen zij de hogere aanslagvoeten van de personenbelasting. Daarom spreekt men hier ook van belastingontwijking, want strikt genomen gebeurt er niets onwettelijks.  Er wordt alleen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die onze overheid zelf heeft geschapen. De vraag is: waarom?

Hoeveel bedrijfswinst blijft er over om te belasten?

De tweede belangrijkste inkomstenbelasting is de  vennootschapsbelasting, de belasting op de winst van de bedrijven. Hierover hoor je meestal niets anders dan geweeklaag en gejammer omdat België een van de hoogste officiële aanslagvoeten van de rijke landen zou hebben. Die bedraagt 33,99%. Maar voor een belastbare winst beneden 25.000 en 90.000 euro betaal je slechts 24,25 en 31% vennootschapsbelasting. Ter herinnering en vergelijking: in de personenbelasting betaal je op een inkomen  tussen 18.730 en 34.330 euro reeds 45% en daarboven zelfs 50%.
Maar de grootste ‘winst’ ligt ook hier in de berekening van de belastbare winst. Zo geven de bedrijven zelf toe dat door de talloze aftrekmogelijkheden de gemiddelde aanslagvoet rond 25% zou liggen. Daarom ook steeds hun vraag om het zogenaamde ‘normaal tarief’ op 25% te brengen zodat buitenlandse bedrijven niet zouden afgeschrikt worden door dat hoge officiële tarief. En zou men dan ook de talloze aftrekmogelijkheden reduceren of schrappen? Of blijven die gewoon verder bestaan en daalt de gemiddelde aanslagvoet nog een stuk beneden die 25%? Maar eigenlijk hoeft dat niet meer want dat is reeds realiteit voor heel wat grote bedrijven. Zo berekende de Nationale Bank dat voor 2006 de 26 grootste Belgische bedrijven gemiddeld 1% belasting betaalden. Recent onderzoek toonde dan weer aan dat de 500 grootste Belgische bedrijven in 2001 gemiddeld 24,19% aan vennootschapsbelasting betaalden en dat dit percentage in 2008 was gedaald tot 13,57%.

De belangrijkste oorzaak van dit lage percentage is het stelsel van de coördinatiecentra dat in 2001 werd veroordeeld door Europa wegens concurrentieverstoring. Tegen 2011 zou het stelsel moeten verdwenen zijn. Dit stelsel zorgde ervoor dat 207 coördinatiecentra, een soort financiële hoofdkwartieren van grote bedrijven, in 2002 op een totale belastbare winst van 5,36 miljard euro slechts 73 miljoen euro vennootschapsbelasting betaalden of 1,36%! Ter vervanging van de coördinatiecentra werd in 2007 het systeem van de notionele intrestaftrek (NIA) ingevoerd. De techniek veranderde, maar de bedoeling bleef dezelfde: bedrijven zo weinig mogelijk belasting laten betalen. Ondertussen maken zowat twee derde van alle bedrijven die in België actief zijn gebruik van deze aftrekmogelijkheid. En de resultaten worden steeds beter/slechter. Beter voor de bedrijven die steeds minder belasting betalen, slechter voor de overheid die steeds meer vennootschapsbelasting misloopt. Aanvankelijk werd de kostprijs (lees: de minder ontvangsten voor de overheid) geraamd op 566 miljoen euro. Maar volgens de Nationale Bank is dit bedrag na slechts drie jaar werking voor het inkomstenjaar 2008 reeds opgelopen tot 2,4 miljard en zal dit de komende jaren nog verder toenemen. Heel wat grote bedrijven betalen door dit systeem trouwens niet één euro aan vennootschapsbelasting omdat zij, door wat men noemt ‘fiscale optimalisatietechnieken’, een belastbare winst hebben die lager is dan de notionele intrestaftrek die zij mogen toepassen. Die ‘niet opgebruikte NIA’ blijft overigens gedurende 7 jaren aftrekbaar.

Onrechtvaardige indirecte belastingen

Indirecte belastingen zoals BTW en accijnzen zijn per definitie onrechtvaardig omdat zij geen rekening houden met de financiële draagkracht van de kopers/gebruikers. Of je nu moet rondkomen met een leefloon of met een jaarinkomen van 3,9 miljoen euro zoals de rijkste Belg Albert Frère, beiden betalen evenveel accijns op een pakje sigaretten of BTW op een tafel bij Ikea.
Het normale BTW-tarief is 21%. Maar voor een hele hoop zeer uiteenlopende producten geldt een verminderd tarief van 6%. Soms zegt men wel eens dat het bij deze goederen en diensten om ‘levensnoodzakelijke producten’ gaat. Maar dat is wel heel kort door de bocht als je bv. weet dat voor het gebruik van energie (elektriciteit) het normale tarief geldt. Niet levensnoodzakelijk?
De personenbelasting werd ‘progressief’ genoemd omdat de gemiddelde aanslagvoet toenam naarmate het belastbaar inkomen toenaam. De indirecte belastingen worden dan weer ‘regressief’  genoemd omdat de gemiddelde aanslagvoet ervan daalt naarmate het inkomen toeneemt. Zo bedraagt de gemiddelde aanslagvoet van de indirecte belastingen voor de 10% laagste inkomens 12,2%. Voor de 10% hoogste inkomens is dat slechts de helft, 6,1%. Als je weet dat de indirecte belastingen in hun totaliteit praktisch evenveel opbrengen als de totale personenbelasting, dan pas besef je de ware impact ervan en hoe onrechtvaardig deze belasting wel is.

Rijkdom wordt niet belast

Volgens de Belgische overheid brengt belasting op het financieel vermogen 1% op van de totale belastingsinkomsten. Zoveel is duidelijk: financieel vermogen wordt (bijna) niet belast.
Wel bestaat er een ‘bevrijdende’ belasting op inkomsten uit vermogen. Bevrijdend wil zeggen dat eens je die belasting hebt betaald je geen verder belasting op dat inkomen moet betalen. Klassiek zijn de 15% op de opbrengsten van allerhande financiële spaarproducten en de 25% op de dividenden van aandelen. Maar de meerwaarde (het verschil tussen aankoop en verkoop) die gerealiseerd wordt bij de verkoop van die aandelen, wordt niet belast.
De ongelooflijke tegenstelling tussen de belasting op arbeid en de belasting op kapitaal heeft tot op vandaag de roep om een echte vermogensbelasting nooit doen verstommen. Vooral de christelijke arbeidersbeweging is hier reeds vele jaren vragende partij. Maar, ere wie ere toekomt, in de voorbije periode is het de linkse PVDA die de eis van een vermogensbelasting met haar ‘miljonairstaks’ weer helemaal bovenaan de agenda heeft geplaatst. Het grote ‘voordeel’ en dus verdienste van de miljonairstaks is, dat met deze benaming al meteen wordt aangegeven dat men met deze taks echt enkel de heel grote vermogens boven 1 miljoen euro, zowat  88.000 of 2% van alle Belgische gezinnen, wil belasten. Afhankelijk van het vrijgestelde bedrag en de eventueel oplopende percentages kan een dergelijke miljonairstaks jaarlijks tussen 3 en 9 miljard euro opbrengen. In het licht van de gigantische besparingen die de Belgische bevolking de komende jaren te wachten staan, openen deze bedragen een heel ander perspectief. Hiermee zou niet enkel het enorme begrotingstekort van 20 miljard kunnen betaald worden, maar blijft er ook nog heel wat geld over voor een versterking van de sociale zekerheid en bijkomende noodzakelijke aanwervingen in de non-profitsector en de overheidsdiensten. Met de miljonairstaks kan aldus een concrete invulling gegeven worden aan de slogans van de vakbonden dat de werknemers niet de schuld zijn van deze crisis en dat zij ze dus ook niet moeten betalen.
Tegenstanders stellen steevast dat het niet ‘eerlijk/rechtvaardig’ zou zijn vermogen extra te belasten om dat dit vermogen het resultaat zou zijn van vroeger reeds belaste inkomsten zoals bedrijfswinsten, beleggingen, spaarproducten allerhande. Voor een gedeelte is dat zeker zo, maar dan nog blijft de vaststelling dat die inkomsten heel wat lager belast werden dan inkomen uit arbeid. Bovendien hebben we zo onze twijfels over het ‘eerlijk’ en ‘reeds belaste’ karakter van deze inkomens. Volgt u even mee. Stel: je spaart iedere maand 1.000 euro. Op een jaar tijd spaar je dan 12.000 euro bij elkaar. Om een vermogen van 1 miljoen euro bijeen te sparen heb je dan niet minder dan 83 jaar nodig. En als je 1.000 euro sparen per maand toch overdreven vindt met je gemiddeld nettoloon van 1.700 euro en in het beste geval 500 euro per maand wil/kunt sparen, dan zou je 165 jaar lang moeten sparen om aan 1 miljoen euro vermogen te komen. Daar zal jij in ieder geval niet en in het beste geval je achterkleinkinderen van kunnen profiteren. 1 miljoen euro vermogen: het resultaat van heel hard werken en ‘eerlijk’ sparen?
Wat wel duidelijk is: zowel omwille van de enorme tegenstelling tussen belasting op arbeid en belasting op kapitaal, als omwille van de grote opbrengst, behoort een forse vermogensbelasting onder de vorm van een miljonairstaks tot de speerpunt van iedere campagne voor een meer rechtvaardige fiscaliteit binnen het kapitalisme.

De gewone belastingbetaler betaalt de fiscale fraude

Fiscale fraude is het met opzet ontduiken van het betalen van belastingen door het niet of onvolledig aangeven van je belastbaar inkomen. De overheid loopt hierdoor heel wat noodzakelijke inkomsten mis. Die gaat ze dan op de eerste plaats daar zoeken waar fiscale fraude vele moeilijker is: bij de inkomens uit arbeid. M.a.w., de gewone belastingbetaler betaalt de fiscale fraude.
Fiscale fraude gebeurt in dat deel van onze economie waar geen belastingen of socialezekerheidsbijdragen worden betaald. Men noemt die de zwarte economie. De omvang hiervan is reusachtig en België scoort hier bij de ‘besten’ van de Europese klas. Zo wordt de zwarte economie in België geschat op 22% van het BBP, tegenover een Europees gemiddelde van 15%. Door die geschatte zwarte economie heeft de Belgische overheid zo’n 30 miljard euro minder aan belastingsinkomsten. Alleen reeds een beperking van de zwarte economie tot op het Europese niveau, zou de overheid jaarlijks 10 miljard euro meer belastingsinkomsten opleveren. Om dezelfde redenen als hierboven aangegeven voor een vermogensbelasting, behoort dus ook een ernstige bestrijding van de fiscale fraude tot de prioriteiten van iedere campagne voor een meer rechtvaardige fiscaliteit binnen het kapitalisme.
Soms hoor je wel eens dat het allemaal niet zo erg is want frauderen is toch een soort van nationale sport waar iedereen aan deelneemt en iedereen wint. Niet slecht om dan even de cijfers van professor Franck in herinnering te brengen. Die schatte het aandeel van de 10% laagste inkomens in ons land aan de fiscale fraude op 0,1% en het aandeel van de 10% hoogste inkomens op 57,4%. Deze schattingen dateren van zo’n 20 jaar geleden. Maar gezien de toename van de inkomensongelijkheid sindsdien kunnen we er gerust van uitgaan dat het aandeel van de hoogste inkomens aan de fiscale fraude sindsdien ook is toegenomen.

Een programma voor meer rechtvaardige fiscaliteit

Het is geen doelstelling van het kapitalisme om een zo groot mogelijke gelijkheid te bereiken. Soms denk je wel eens dat het juist tegendeel wil. Belastingen onder het kapitalisme beogen veeleer het afzwakken van al te grote ongelijkheid  om ‘onrust’ te vermijden enerzijds en anderzijds om iedereen, ook de lagere en middeninkomens mee te laten betalen voor de noodzakelijke overheidsinkomsten.
Je mag dan ook niet verwachten dat binnen het kapitalisme het heffen van belastingen ooit echt rechtvaardig zou kunnen. Maar wat je in ieder geval als verdediger van een rechtvaardige samenleving moet proberen is te streven naar een zo rechtvaardig mogelijke fiscaliteit binnen dit kapitalisme. En hier valt in ieder geval nog heel wat werk te doen.

Vanuit het voorgaande kunnen we drie eenvoudige vaststellingen maken:

1. De zwaarste belastingtarieven vinden we in de personenbelasting
2. In de vennootschapsbelasting is de reële aanslagvoet sterk gedaald en heel wat lager dan bij de personenbelasting.
3. Vermogens worden nauwelijks belast.

Een campagne voor een meer rechtvaardige fiscaliteit moet tenminste leiden tot een meer gelijke fiscale behandeling van arbeid, bedrijfswinsten en vermogens en tegelijkertijd de overheid meer middelen bezorgen voor een rechtvaardiger sociaal en economisch beleid. Onderstaande punten kunnen zeker bijdragen tot een realisatie van deze doelstellingen.

- (her)Invoering van de globalisering van de inkomsten
- Een hogere belastingvrije som
- (her)Invoering van hogere belastingtarieven in de personenbelasting
- Inperking en strenge(re) controle op de werkelijke beroepskostenaftrek
- Bestrijding belastingontwijking via de oprichting van de (eenpersoons)BVBA
- Hogere reële tarieven in de vennootschapsbelasting
- Afschaffing van de notionele intrestaftrek
- Lagere BTW-tarieven voor echte ‘levensnoodzakelijke goederen’ (inclusief energie). Hogere BTW-tarieven op luxegoederen
- Belasting op gerealiseerde meerwaarden
- Opheffing van het bankgeheim en het aanleggen van een vermogenskadaster als noodzakelijke voorwaarde voor een correcte
- Vermogensbelasting met hoge vrijstelling (‘miljonairstaks’) en
- Strenge aanpak en bestrijding fiscale fraude
- Versterking met mensen en middelen van de Federale Overheidsdienst Financiën want ‘minder ambtenaren en middelen is minder controle is grotere ongelijkheid’


Gezien het belang van belastingen voor het voeren van een meer rechtvaardig sociaal en economisch beleid binnen een kapitalistisch economisch systeem, behoort een campagne voor een rechtvaardiger fiscaliteit in ons land tot de essentie van ieder streven naar een meer rechtvaardige samenleving. Het verleden heeft ten overvloede aangetoond dat de krachten tegen zo’n meer rechtvaardige samenleving enorm sterk zijn. Het komt er dus op aan om ook onze krachten zo maximaal mogelijk te bundelen en onze acties toe te spitsen op een aantal speerpunten. Ik pleit daarom voor een verbinding tussen de campagne van het Financieel Actie Netwerk (FAN) en zijn Franstalige tegenhanger  Réseau pour la Justice Fiscale (RJF) voor de opheffing van het bankgeheim en de campagne voor de invoering van een miljonairstaks door de PVDA. FAN, waarvan ook de vakbonden deel uitmaken, formuleert zijn eis voor de opheffing van het bankgeheim uitdrukkelijk met het oog op de opstelling van een vermogenskadaster in functie van een vermogensbelasting.

Als we echt willen, wie kan dan deze coalitie verslaan? Enkel wijzelf door niet echt te willen.