17
12/10
Fiscale maatregelen ten gunste van ondernemingen en kapitaal(krachtigen) door de jaren heen
Gepubliceerd door FAN- RJF, klik hier voor printbare versie
De voorbije weken werd in verschillende media nogal gefocust op het feit dat in België de vermogens reeds veel te zwaar worden belast waardoor een vermogensbelasting een surrealistische eis zou zijn. We publiceren vandaag dit artikel vanuit de studiedienst van LBC-NVK waarbij we een hallucinante reis maken door dertig jaar fiscale maatregelen ten gunste van ondernemingen en kapitaalkrachtigen .
crisis

1982: de wet Cooreman-De Clercq: was bedoeld om de uitgifte van aandelen te stimuleren en het aandelenbezit aantrekkelijker te maken. Deze wet bevatte fiscale vrijstellingen zowel voor de uitgevende vennootschap als voor de beleggers zelf;
- volmachten KB (nr. 187) van 30 december 1982 voert een fiscaal zeer gunstig regime in voor de coördinatiecentra. De bedoeling hiervan was om via speciale (fiscale) voordelen hoofdkwartieren van grote internationale groepen naar België te lokken. Om aan te tonen dat dit regime bijzonder voordelig was: een studienota van de Nationale Bank van België vermeldt dat de coördinatiecentra in 1989 gezamenlijk een winst voor belastingen van 36,2 miljard Belgische frank behaalden en dat ze daarop amper 300 miljoen frank vennootschapsbelasting betaalden. Dit komt neer op minder is dan 1 %. Dit zeer gunstige fiscaal stelsel zal vele jaren later uiteindelijk onder druk van de Europese Commissie (zij bestempelde het stelsel als illegale staatssteun) worden afgeschaft. Het stelsel houdt op te bestaan uiterlijk op 21 december 2010.
-met ingang van aanslagjaar 1983 wordt het basistarief van de vennootschapsbelasting verlaagd van 48% naar 45%.
1984: de roerende voorheffing wordt bevrijdend voor de natuurlijke personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting(PB). Tot dan werden de roerende inkomsten (intresten van vastrentende effecten en dividenden van aandelen) opgeteld bij de andere inkomsten (beroeps-, onroerende- en diverse inkomsten) en dit totaal werd aan het progressief tarief van de PB onderworpen. De roerende voorheffing wordt dus de definitieve belasting voor de roerende inkomsten: eenmaal de roerende voorheffing afgehouden moeten die inkomsten niet meer vermeld worden in de aangifte. De roerende inkomsten ondergaan dus niet meer het progressief tarief van de personenbelasting.
Om het verlies aan inkomsten niet te laten oplopen werd het tarief van de roerende voorheffing opgetrokken van 20% naar 25%.
 fiscale amnestie: mits het onderschrijven (renteloos gedurende 5 jaar) van schatkistbons kan zwart geld wit worden;
 de herziening van het kadastraal inkomen (KI) van onroerende goederen (normaal voorzien voor de inkomsten vanaf 1986 wordt verdaagd met 5 jaar. De KI’s worden geacht de netto huurwaarde van de woningen weer te geven. Bij de herziening (of met een geleerd woord de perequatie) van de KI’s in 1979 was er bepaald dat om de 10 jaren de KI’s zouden worden herzien. Een dergelijke herziening is bedoeld om de KI’s aan te passen aan de werkelijke huurwaarde van de woningen. Op vandaag is er nog altijd geen herziening doorgevoerd. Dit betekent dat de huidige KI’s nog gebaseerd zijn op huurprijzen van 1975. Bij de laatste herziening van de KI’s in 1979 werden de KI’s immers aangepast op basis van de werkelijke huurwaarde van de woningen in 1975. Het is pas sinds aanslagjaar 1992, inkomsten 1991 dat die oude KI’s jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen (basis is het gemiddelde van de indexcijfers van de jaren 1988 en 1989). Met andere stijgingen van de huurprijzen dan de inflatie wordt in het bedrag van de huidige KI’s geen rekening gehouden. Het (geïndexeerde) KI dient als basis voor de berekening van de onroerende voorheffing (ook wel eens grondbelasting genoemd) maar het wordt ook in aanmerking genomen om na te gaan of een gezin recht heeft op een school- of studietoelage voor de kinderen. De berekening van de personenbelasting op eigendommen die verhuurd worden of als 2de verblijf gebruikt worden, gebeurt eveneens op basis van het geïndexeerde KI. Met andere stijgingen dan de inflatie wordt in de PB wel rekening gehouden. Bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit de verhuring tot privé-doeleinden gebeurt dat op forfaitaire wijze(geldt ook bij de vaststelling van het fictieve inkomen van een 2de verblijf):  het geïndexeerde KI van die eigendommen wordt met 40% verhoogd. Het belastbaar inkomen bij verhuring tot beroepsdoeleinden is in de regel gelijk aan de werkelijk ontvangen netto huur (de werkelijk ontvangen brutohuur verminderd met een forfaitaire kostenaftrek van 40%).
1985: forfaitaire belastingvermindering van 2,25% voor alle belastingplichtigen te spreiden over een periode van vier jaar nl. over de aanslagjaren 1987, 1988, 1989 en 1990
1986: - de bezoldigingen betaald aan een huisbediende zijn onder bepaalde voorwaarden voor de helft aftrekbaar van het belastbaar inkomen;
- verlaging van het algemeen tarief van de vennootschapsbelasting van 45% naar 43% vanaf aanslagjaar 1988.
1989: de wet houdende hervorming van de personenbelasting van 7 december 1988 verminderde het aantal tarieven van het belastingbarema van 13 naar 7. In feite kwam dit neer op een grondige aftopping van de hoogste tarieven. Vanaf aanslagjaar 1990, inkomsten 1989 zou het hoogste tarief 55% bedragen(op het gedeelte van het inkomen boven de 2.200.000 Belgische frank). De marginale tarieven van 61,90%, 67,80% en 70,30% die tot dan van toepassing waren op schijven van het inkomen boven de 2.200.000 Belgische frank, werden geschrapt.
1990: - het tarief van de vennootschapsbelasting wordt enerzijds verlaagd van 43% naar 41% voor aanslagjaar 1991 en naar 39% voor aanslagjaar 1992 , anderzijds wordt de belastbare basis van de vennootschappen verbreed door beperking van een aantal aftrekposten(o.m. maatregelen die het oneigenlijk gebruik van bepaalde fiscale aftrekken moeten beletten).

- de roerende voorheffing wordt vanaf 1 maart 1990 verlaagd van 25% naar 10% voor nieuw uitgegeven effecten. Die vermindering van het tarief geldt niet voor dividenden van aandelen. Het tarief werd vanaf aanslagjaar 1995 opnieuw verhoogd naar 13% (+ 3% aanvullende crisisbijdrage of in totaal 13,39%). Vanaf 1 januari 1996 werd het tarief terug opgetrokken naar 15%. Het tarief moet vanaf dan ook niet meer verhoogd worden met de aanvullende crisisbijdrage van 3%.
1991: meerwaarden die zijn verwezenlijkt bij de verkoop van aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om als DBI (definitief belaste inkomsten m.a.w. aftrek omdat deze inkomsten al werden belast op het vlak van de uitkerende vennootschap)) te worden afgetrokken, zijn met ingang van aanslagjaar 1992 volledig van vennootschapsbelasting vrijgesteld. Anderzijds zullen de minwaarden en waardeverminderingen op deze effecten niet langer fiscaal aftrekbaar zijn. Het verlies aan ontvangsten in de vennootschapsbelasting  wegens het bestaan van deze vrijstelling bedroeg voor aanslagjaar 2007, inkomsten 2006 12,88 miljard euro.
1992: BTW-hervorming: de tarieven van 17%,25% en 33% (25% + 8% weeldetaks op dure wagens, juwelen en andere luxeproducten) worden afgeschaft en het normaal tarief wordt van 19% op 19,5% gebracht. Het verlaagd tarief van 6% wordt behouden en een tweede verlaagd tarief van 12% wordt ingevoerd. De hervorming vloeide voort uit de harmonisering van de indirecte belastingen op Europees vlak. In 1993 zou het normale BTW tarief opnieuw verhoogd worden van 19,5% naar 20,5% (maatregel in het kader van het globaal plan van toenmalig premier Dehaene) en vanaf 1 januari 1996 zou het verder opgetrokken worden tot 21% (was één van de maatregelen om de Maastricht norm te halen).
Deze hervorming bracht een averechtse herverdeling mee: wie veel uitgaf of kon uitgeven, profiteerde van deze hervorming. Wie krap leefde, kreeg het nog iets moeilijker.
1994: verlaging van het tarief van de roerende voorheffing van 25% naar 13% (percentages nog te verhogen met 3% aanvullende crisisbijdrage, dus in feite verlaging van 25,75% naar 13,39%) voor dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 1994 worden betaald (deze tariefverlaging geldt alleen voor bepaalde aandelen)
1997: Het Vlaams Gewest verlaagt de progressieve tarieven van de successierechten. Het Waals en Brussels Gewest zullen pas in 2001 wijzigingen aanbrengen die veel minder ver gaan dan in Vlaanderen.
1999: - er wordt een wet gestemd die het belastbaar voordeel dat voortvloeit uit de toekenning van aandelenopties op forfaitaire wijze vaststelt.

- Het Vlaams Gewest voert het nultarief in voor de vererving van een familiale onderneming of vennootschap (voorheen was dit tarief 3%). Een familiale vennootschap is een vennootschap waarvan de aandelen in de drie jaar voor het overlijden ononderbroken voor ten minste 50% in handen waren van de overledene of diens echtgenoot of echtgenote. De aandelen (wat behoort tot het roerend vermogen) kunnen dus zonder betaling van successierecht worden overgedragen naar de volgende generatie. Een belangrijke voorwaarde om volledig van dit nultarief te genieten is: in de 12 kwartalen voorafgaand aan het overlijden moet de vennootschap minstens een half miljoen euro aan lonen uitbetaald hebben aan werknemers gevestigd in de Europese Economische Ruimte. Ook de andere gewesten hebben gelijkaardige regelingen ingevoerd: zo is in Wallonië ook het nultarief en in Brussel onder bepaalde voorwaarden een gereduceerd tarief van 3% mogelijk.
 2001: hervorming personenbelasting waarbij de twee hoogste marginale aanslagvoeten van 52,5% en 55% werden geschrapt. Het aantal tarieven van de personenbelasting wordt daarmee teruggebracht van 7 tot 5 met als hoogste tarief 50%. Het hoogste tarief is van toepassing op het gedeelte van het inkomen boven 24.800 euro. Ingevolge de indexering is dit bedrag op vandaag 34.330 euro.
2003: hervorming van de vennootschapsbelasting: verlaging van het tarief van 39% naar 33% vanaf aanslagjaar 2004. Rekening gehouden met de aanvullende crisisbijdrage van 3% betekent dit een verlaging van het tarief van 40,17% naar 33,99%. Voor vennootschappen met een belastbare winst niet hoger dan 322.500 euro worden de tarieven eveneens verlaagd.
2004: -in de loop van de vorige jaren nam de federale overheid  tal van uiteenlopende maatregelen om de werkloosheid te bestrijden en de werkgelegenheid  een nieuwe dynamiek te geven. Dit werd voornamelijk doorgevoerd door verminderingen van de patronale sociale lasten. Vanaf 2004 startte de federale overheid ook met tegemoetkomingen aan de werkgevers die fiscaal van aard waren : een deel van de bedrijfsvoorheffing ingehouden op de lonen van (bepaalde groepen) van werknemers moet niet doorgestort worden aan de fiscus maar mag in de onderneming blijven:
Dit werd in 2004 ingevoerd voor ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht en die een ploegenpremie betalen: zij worden ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 1% van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies begrepen zijn, in de Schatkist te storten. De werkgevers mogen dat bedrag dus voor zich houden. Het percentages van 1% is ondertussen diverse keren opgetrokken. Vanaf 1 juni 2009 bedraagt het 15,6%. Een gelijkaardige tegemoetkoming krijgen werkgevers ook op de bezoldigingen voor gepresteerde overuren. Dit geldt momenteel voor maximum  130 overuren per werknemer per jaar. Sinds het IPA 2007-2008 is ook de structurele interprofessionele looncorrectie in voege. Dit betekent dat de bedrijfsvoorheffing ten belope van 1% van de brutolonen van alle werknemers niet moet doorgestort worden aan de fiscus. Voor bezoldigingen betaald aan onderzoekers en aan sportbeoefenaars moet ook een flink deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet doorgestort worden aan de fiscus. Voor wetenschappelijk personeel en onderzoekers gaat het om 75% van de bedrijfsvoorheffing die niet moet worden doorgestort en voor sportbeoefenaars om 80%.
-invoering van de eenmalige bevrijdende aangifte ( fiscale amnestie): in de loop van het jaar 2004 konden belastingontduikers (alleen natuurlijke personen, dus geen vennootschappen of rechtspersonen) geld dat ze jarenlang voor de fiscus in het buitenland hadden verstopt, naar België terugbrengen tegen een eenmalige boete van 6% op het gerepatrieerde kapitaal (als het op een of andere manier werd geïnvesteerd) of 9% (als het gewoon op een rekening wordt geparkeerd). Deze operatie leverde de schatkist 496 miljoen euro op en er keerde 5,7 miljard euro naar België terug. Naar schatting was op dat ogenblik  170 miljard euro op buitenlandse rekeningen geparkeerd.
Deze fiscale amnestie (later zou er nog een volgen) was ingevoerd in het kader van de Europese Spaarrichtlijn die vanaf 1 juli 2005 in voege zou treden. Men wenste kapitalen vervroegd naar boven te laten komen en daar nog een boete op te innen.
-Vlaanderen voert een forse verlaging van de schenkingsrechten voor roerende goederen in. Vanaf 1 januari 2003 is ook voor de schenking van bouwgronden een verminderd tarief van toepassing. De andere gewesten hebben ook gelijkaardige verlagingen doorgevoerd.
2005: -invoering van de notionele intrestaftrek (NIA) vanaf aanslagjaar 2007. De aftrek komt hierop neer dat vennootschappen een percentage van hun eigen vermogen(hun eigen kapitaal) kunnen aftrekken van hun belastbare winst. Daaraan worden geen voorwaarden gekoppeld van investering of jobcreatie of wat dan ook. Voor aanslagjaar 2010 bedraagt het percentage van de NIA 4,473%. Voor kleine vennootschappen wordt het tarief verhoogd met een half procentpunt, wat voor aanslagjaar 2010 resulteert in een tarief van 4,973%. De invoering van de NIA betekent voor de overheid een belangrijke fiscale aderlating. De voorspelling dat deze maatregel zou leiden tot een toename van de tewerkstelling in de industriële en dienstensector blijkt niet uit te komen. Eind 2009 werd beslist het maximumtarief te verlagen van 6,5% naar 3,8% en voor kleine vennootschappen naar 4,3%voor de aanslagjaren 2011 en 2012.
- werkgevers kunnen van belasting en RSZ-vrije innovatiepremies toekennen aan hun personeel. Aanvankelijk was die maatregel slechts voor 1 jaar geldig, nl. voor 2006 maar ondertussen werd deze vrijstelling steeds verlengd en ze is momenteel nog steeds in voege.
2006: invoering van een amnestie-bis, nu onder de naam “fiscale regularisatie”. Met deze regularisatie geeft de overheid aan belastingontduikers (natuurlijke personen en bedrijven) opnieuw de kans om hun fiscale toestand te regulariseren. Het is dit keer een vorm van permanente “inkeerregeling”: er is geen einddatum voorzien maar de belastingontduiker kan er maar eenmaal van gebruik maken. Hij moet m.a.w. in een keer met al zijn zwarte inkomsten naar boven komen. Gaat het om zwarte beroepsinkomsten, dan dient allen het normale belastingtarief op deze inkomsten betaald te worden dat van toepassing was op het ogenblik dat de belasting had moeten betaald worden, dus zonder boete. Voor andere zwarte inkomsten zoals inkomsten van beleggingen is wel een “milde” boete voorzien: zo wordt voor kapitaalinkomsten die pas vanaf 1 januari 2007 geregulariseerd het normale tarief verhoogd met een boete van 10 procentpunten. Als het normale tarief 15% bedraagt zal er dus 25% i.p.v. 15% aangerekend worden. Deze amnestie-bis bracht tussen 2005 en 2009 145 miljoen euro op voor de schatkist.
2008: invoering van een stimulans voor het toekennen van variabel loon aan werknemers: voordelen die toegekend worden aan alle werknemers of een welomschreven groep, wanneer de onderneming een vooraf bepaalde doestelling bereikt, kunnen vrij van belasting en sociale werknemersbijdragen toegekend worden. De vrijstelling geldt voor niet recurrente resultaatsgebonden voordelen voor en maximumbedrag van 2.200 euro per jaar, per werknemer. Dit bedrag geldt voor inkomsten 2008 en wordt jaarlijks geïndexeerd.
- Vanaf 1 januari 2008 mogen Belgische banken geen papieren effecten (aandelen of obligaties aan toonder) meer afleveren aan hun klanten(ook wanneer het buitenlandse effecten betreft). Effectentransacties in België kunnen vanaf dan enkel nog via een rekening op naam (een effectenrekening) gebeuren. Effecten aan toonder die al voor 2008 werden uitgegeven moeten vanaf dan systematisch op een effectenrekening geplaatst worden.
Jarenlang waren effecten aan toonder het instrument om zonder medeweten van de fiscus (en dus zonder betaling van successierechten) roerend vermogen door te gegeven aan het nageslacht.
2010: er wordt opnieuw gepleit voor een nieuwe vorm van fiscale amnestie om de staatskas te stijven.

R. De Busschop, Studiedienst LBC-NVK, 15 juli 2010.

Met dank aan www.lbc-nvk.be